Meer huurwoningen, minder beschikbaar aanbod?
Auteurs
Sven Bertens
Tilly Spierings
Jan-Willem Wich
Ron van den Dolder
Op Prinsjesdag kondigde het kabinet drie maatregelen aan voor de huurwoningmarkt. Voor nieuwbouw middenhuur komt vanaf 2029 vijf jaar lang jaarlijks €100 miljoen beschikbaar, oplopend tot €10.000 per nieuwgebouwde woning. De overdrachtsbelasting voor woningen buiten het eigen hoofdverblijf gaat per 1 januari 2027 omlaag van 8 naar 7 procent. Het besluit over box 3 is uitgesteld tot de Voorjaarsnota van 2027.
Het kabinet laat hiermee duidelijk zien dat zij particulier en institutioneel kapitaal terug willen brengen naar de huurmarkt.
Beleggers beoordelen zo'n pakket langs twee lijnen. De eerste is zekerheid: hoe voorspelbaar is het beleid waarop een investering van tien jaar of langer rust? De tweede is rendement: wat houdt die investering over na belasting? IVBN noemt het investeringsklimaat de bepalende factor voor de vraag of er wordt geïnvesteerd, en stelt dat institutionele beleggers klaarstaan zodra de randvoorwaarden stabiel zijn.
Dit artikel beoordeelt het pakket langs beide lijnen. JLL zet de cijfers achter de huurwoningvoorraad op een rij en rekent een fictief project in Utrecht door op drie aankoopmomenten: 2022, 2026 en 2030.
De vraag groeit en verandert van samenstelling
Volgens de huishoudensprognose van het CBS telt Nederland in 2025 circa 8,5 miljoen particuliere huishoudens. Dat aantal loopt op tot bijna 8,8 miljoen in 2030 en 9,4 miljoen in 2050. Tot 2030 komen er gemiddeld 65.000 huishoudens per jaar bij. Over de hele periode tot 2050 ligt dat gemiddelde op 39.000 per jaar.
Bron: CBS, bewerkt JLL Research, 2026
De groei komt vooral van alleenstaanden. Het aantal eenpersoonshuishoudens stijgt van 3,42 miljoen in 2025 naar 4,08 miljoen in 2050. Die toename van 667.000 is ruim twee derde van de totale huishoudensgroei. De gemiddelde huishoudensgrootte daalt in dezelfde periode van 2,10 naar 2,04 personen.
De scherpste verschuiving zit aan de bovenkant van de leeftijdsopbouw. De Primos-prognose 2026 voorziet tot 2041 een toename van 614.000 huishoudens van 75 jaar en ouder, waarvan 383.000 alleenstaand.
Regionaal loopt het beeld uiteen. De sterkste huishoudensgroei tot en met 2040 zit in het midden en westen van het land, met 15 tot 16 procent. Primos voorziet in slechts één woningmarktregio bevolkingskrimp: Zuid-Limburg komt in 2041 ruim 4 procent lager uit dan in 2026. In de regio Groningen blijft de bevolkingstoename onder 1 procent. Bevolkingskrimp gaat overigens niet automatisch samen met een krimpend aantal huishoudens, omdat huishoudens kleiner worden.
Van huishoudens naar woonbehoefte
De eerder beschreven prognoses zeggen iets over de aantallen woningen in Nederland, maar niet over hoe de woonbehoefte eruitziet binnen het stelsel. Een alleenstaande van 28 en een alleenstaande van 80 hebben allebei een andere woonbehoefte, en tellen beiden als één huishouden. Ieder huishouden vraagt in de loop van de tijd verschillende woonoplossingen, afhankelijk van levensfase en financiële situatie.
Ter illustratie hebben we van twee personen vanaf 18 jaar de wooncarrières gevisualiseerd. Eén carrière focust zich meer op eigen woningbezit, de tweede richt zich meer op de huurmarkt. Beiden laten zien dat elk huursegment – sociaal, midden én vrij – een essentiële functie vervult.
Studententijd: particuliere verhuur speelt hierin ook een grote rol
De jongvolwassene begint met studeren en wil graag op een studentenkamer wonen, een segment waarin particuliere verhuurders in ongeveer de helft voorzien. Het aandeel uitwonende studenten daalde in acht jaar van 52 naar 44 procent (Landelijke Monitor Studentenhuisvesting, 2025). Wie geen kamer vindt, blijft thuis wonen. Voor MBO-studenten zijn minder studentenwoningen beschikbaar: circa 80% woont thuis tijdens de opleiding (Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, 2026).
Startende wooncarrière: flexibiliteit nodig in huurwoningen
Na de studie volgt de eerste zelfstandige woning. Lange wachttijden en strikte inkomenseisen sluiten starters vaak uit van sociale huur. Wie wel slaagt, start betaalbaar maar raakt door inkomensstijging of samenwonen al snel boven de inkomensgrens. Twee minimumlonen op basis van een 40-urige werkweek zijn daarvoor al voldoende.
Snelheid en flexibiliteit worden daarom belangrijk. Vrije sector en middenhuur voorzien hierin: geen wachttijden, geen zorgen over direct scheefwonen. Deze segmenten fungeren als belangrijke doorstroombuffer. Wie later een koopwoning betrekt, laat die huurwoning achter voor de volgende starter.
Latere levensfase: aantrekkelijke verhuisopties
Het leven verloopt niet altijd lineair. Scheiding, arbeidsongeschiktheid, verlies van werk of zorg voor naasten – allemaal situaties waarin flexibele huurwoningen essentieel zijn. Ook hier bieden middenhuur en vrije sector uitkomst wanneer sociale huur niet direct beschikbaar of passend is.
Later in de wooncarrière komt huur opnieuw in beeld, nu als nultreden- of zorggeschikte woning voor de groeiende groep van 614.000 extra huishoudens van 75 jaar en ouder. Door beperkt geschikt aanbod blijven sommige ouderen echter langer in hun eigen (koop)woning wonen.
Elk segment telt
Zo bezien is de huurmarkt geen losse markt maar een keten waarin sociale huur, middenhuur én vrije sector elkaar aanvullen. Elke schakel maakt de volgende mogelijk en biedt oplossingen voor verschillende levensfases, of die nu gepland of onverwacht zijn, kortdurend of langdurig. Valt er één weg, dan stokt de doorstroming in alle andere. Daarom is voldoende voorraad in álle segmenten cruciaal voor een goed functionerende woningmarkt.
Met de groeiende voorraad verandert het profiel van de verhuurder
Om in elke schakel van die wooncarrière te kunnen doorstromen, is het belangrijk om te kijken naar de ontwikkeling van de huurvoorraad. En dat beeld is op eerste oog positief voor Nederlandse huishoudens: tussen 2021 en 2025 groeide de totale huurvoorraad van 3,40 naar 3,51 miljoen woningen. Er verdwijnen dus geen huurwoningen, er komen juist extra bij. Maar hoe verdeelt die groei zich over sociale huur, middenhuur en vrije sector? En verschuift het profiel van verhuurders?
Vastgoed-BV's en NV's (institutionele en andere grote verhuurders) voegden in die periode 64.810 huurwoningen toe, woningcorporaties 28.095 en overige rechtspersonen 26.465. Kleine particuliere verhuurders leverden daartegen per saldo 4.820 woningen in. De sterkste daling is te zien bij particuliere verhuurders, door o.a. de intrede van de Wet betaalbare huur: tot 2023 voegden deze verhuurders 18.010 woningen toe, sindsdien verdwenen er weer 22.830 woningen.
Wie neemt de groei van de huurvoorraad over?
Bron: CBS, bewerkt door JLL Research, 2026
Waar die woningen heen gaan, laat het Kadaster zien. Investeerders verkochten in 2025 circa 65.000 woningen, tegenover 53.275 in 2024. Van die verkopen ging 59 procent naar een eigenaar-bewoner, bij particuliere investeerders zelfs 68 procent. In de vier grote steden was in het laatste kwartaal van 2025 bijna 28 procent van alle aankopen door eigenaar-bewoners een voormalige investeerderswoning, tegen 16 procent landelijk.
Welk segment precies krimpt, is uit openbare cijfers niet op te maken. De indeling in sociaal, midden en vrije sector in de portefeuilles van verhuurders hangt af van de aanvangshuur bij het ingaan van het contract, waardoor een woning van segment wisselt zodra zij opnieuw wordt verhuurd. De portefeuilleverdeling van verhuurders blijft daarmee verschuiven. Het middensegment bestaat als categorie pas sinds juli 2024, waardoor een meerjarige reeks ontbreekt. Eén cijfer is wel bekend: eind 2022 lag van de bewoonde huurwoningen van private verhuurders bijna de helft onder de liberalisatiegrens. De terugtocht uit bestaande huurwoningen raakt daarom vooral het betaalbare segment, waar de business case voor verhuurders veranderde.
Dit is voor de koper goed nieuws, want dit vergroot het beschikbare aanbod. Starters en doorstromers krijgen toegang tot bestaande stedelijke woningen, in prijsklassen en op locaties waar nieuwbouw nauwelijks voorziet.
De woonlasten dalen relatief, maar de beschikbaarheid in sommige van de schakels ook
Voor wie al een woning heeft, is wonen de afgelopen jaren goedkoper geworden. De doorsnee woonquote, het deel van het inkomen dat opgaat aan wonen, kwam in 2024 uit op 20,2 procent. Tien jaar eerder lag dat op ruim een kwart. Inkomens stegen in die periode sneller dan de huren en hypotheeklasten. Dat gemiddelde zegt alleen weinig over wie nu een woning zoekt. Eigenaren die er twintig jaar of langer wonen komen uit op 15,2 procent, terwijl starters met een koopwoning 26,3 procent kwijt zijn. Starters in een private huurwoning betalen met 35,1 procent het meest van alle onderzochte groepen. Huren worden bij elk nieuw contract op marktniveau gezet, terwijl hypotheeklasten gelijk blijven of dalen bij een stijgend inkomen.
Daarmee zouden we kunnen stellen dat de woonlasten niet het probleem zijn, maar de beschikbaarheid van de woningen. De vraag-aanbod verhouding heeft de vrije sector duurder gemaakt. Doordat wachttijden en inkomenseisen in sociale huur en middenhuur een deel van de woningzoekers uitsluiten, moet de vrije sector iedereen opvangen die daar niet terechtkan: woningzoekers zonder inschrijftijd, mensen die door een nieuwe baan of scheiding snel een woning zoeken, en iedereen die om welke reden dan ook geen koopwoning kan bemachtigen. Die 35,1 procent weerspiegelt daarom niet de prijs van luxe woningen, maar de prijs van directe toegang tot de woningmarkt.
En die toegang wordt snel schaarser. In het kwartaal direct na de invoering van de Wet betaalbare huur daalde het aantal vrijgekomen vrije sector huurwoningen landelijk met 37,6 procent. In Utrecht was dat 45 procent, in Den Haag 50 procent. Sindsdien heeft die trend zich voortgezet. In het tweede kwartaal van 2026 kwamen 11.389 woningen beschikbaar, tegenover 12.150 die werden afgemeld (Pararius Huurmonitor).
Het deel van de vrije sector dat overblijft, verschuift naar de bovengrens in prijs. Het aandeel vrije sector huurwoningen met een huur boven €2.000 per maand liep in één jaar op van 36,5 naar 42 procent. Pararius verwacht dat het aandeel van de vrije sector in de totale woningvoorraad daalt van circa 8 procent naar 5 à 6 procent in 2030.
Wie gaat dat bouwen?
Die schakel komt alleen terug door bij te bouwen, en daar is kapitaal voor nodig. De Nederlandsche Bank heeft die opgave becijferd. Voor 100.000 woningen per jaar is ongeveer €40 miljard aan investeringen nodig. Daarvan betreft €6,4 miljard de financiering van 16.000 nieuwe private huurwoningen, dus buiten de corporatiesector (DNB, juli 2026). De overheid draagt daar weinig aan bij. Waar woningbouwsubsidies in de jaren tachtig opliepen tot circa 1,8 procent van het bruto binnenlands product, bedragen de directe bouwsubsidies nu 0,1 procent.
Dat geld moet dus van marktpartijen komen, en die zijn onderling verschillend. Elk type belegger wordt door andere regels geraakt.
De particuliere verhuurder bezit tot 25 woningen en valt veelal in box 3. Voor deze groep bepaalt het forfaitaire rendement de exploitatie. Dit is de groep die nu krimpt door de regulering.
De Nederlandse institutionele belegger is een pensioenfonds of verzekeraar en werkt nagenoeg zonder vreemd vermogen. Deze partijen vulden in 2025 ongeveer €3,6 miljard van de behoefte in, ruim de helft. Volgens DNB zal die bijdrage niet aanzienlijk verder toenemen, omdat meer Nederlands vastgoed ten koste gaat van de spreiding over landen en beleggingscategorieën.
Tussen de €6,4 miljard die nodig is en de €3,6 miljard die Nederlandse partijen leveren, zit een gat van €2,8 miljard per jaar. Op dat gat richt het kabinet de objectsubsidie voor middenhuur, die vanaf 2029 vijf jaar lang €100 miljoen per jaar beschikbaar stelt. Bij het maximum van €10.000 per woning bereikt dat bedrag ongeveer 10.000 van de 16.000 woningen die jaarlijks nodig zijn. Tegenover een financieringsbehoefte van €2,8 miljard gaat het om 3,6 procent.
De buitenlandse institutionele belegger financiert zijn portefeuille voor ongeveer de helft met vreemd vermogen en is daardoor het gevoeligst voor de rente. Tot 2025 kon deze groep via een fiscale beleggingsinstelling (fbi) nagenoeg onbelast in Nederlands vastgoed beleggen. Door onder andere deze aanpassing is deze investeerder weggevallen, terwijl het resterende deel van de financiering van deze groep moet komen om aan het streefgetal voor nieuwe private huurwoningen te voldoen. In 2022 kwam nog een derde van de financiering voor private huurwoningen van internationale investeerders, in 2025 was daar vrijwel niets meer van over.
Aandeel buitenlands kapitaal in Nederlandse woningtransacties
Bron: JLL Research, 2026
Naast de afschaffing van de fbi-regeling, ontstond er namelijk de afgelopen jaren een stapeling van de veranderingen: de overdrachtsbelasting ging omhoog, de rente steeg, de bouwkosten liepen op, de huren kregen een plafond en twee van de drie te bouwen huurwoningen moeten in het betaalbare segment vallen. Greystar-directeur Mark Kuijpers vat de conclusie samen: ‘internationaal kapitaal heeft rust nodig, en die moet eerst worden hersteld.’
Om voor alle belanghebbenden dit inzichtelijk te maken wat die stapeling betekent voor het rendement om te investeren in woningen in Nederland, hebben we een fictieve casus opgesteld.
Eén project op drie momenten: 2022, vandaag en 2030.
Om die stapeling te wegen, rekent JLL een fictief project door. Hierbij hebben we de keuze gemaakt om dit vanuit een internationale institutionele belegger te doen, omdat dit de partij is die volgens DNB het resterende financieringsgat moet vullen en die zich tegelijk het sterkst heeft teruggetrokken. Deze belegger is bovendien het gevoeligst voor alle vijf de knoppen: hij bouwt nieuw, valt onder de vennootschapsbelasting en financiert doorgaans ongeveer de helft met vreemd vermogen. Het model rekent ongefinancierd, waardoor het effect van de rentestijging voor deze partij eerder wordt onderschat dan overdreven.
Tussen die momenten verschuiven vijf knoppen:
Voor de particuliere verhuurder in box 3 en de Nederlandse institutionele belegger gelden andere regels en dus andere uitkomsten. JLL heeft die varianten separaat doorgerekend. Lezers die willen weten hoe deze doorrekening zich verhoudt tot hun eigen portefeuille, kunnen voor de aannames en de uitkomsten contact opnemen met ons.
Het totaalpakket aan aanpassingen kost rendement, en het aankoopmoment 2026 komt op het laagste aanvangsrendement na belasting uit. Het middensegment is dan gemaximeerd en de vennootschapsbelasting is volledig van toepassing. Die belasting is in deze doorrekening de zwaarste enkele factor: vóór belasting komt 2026 nog uit op 3,90 procent, na belasting op 2,89 procent. Het sluiten van de fbi-route kost op zichzelf dus ruim een procentpunt. Ook over de volle looptijd van tien jaar blijft 2026 achter bij 2022.
Voor 2030 werken drie van de vijf knoppen dezelfde kant op: een hogere toegestane huur, een lagere overdrachtsbelasting bij verkoop en de objectsubsidie. Samen tillen zij het looptijdrendement naar ruim anderhalf maal het niveau van 2022. Voor buitenlands kapitaal is dat een merkbare verbetering.
Visuele weergave uitkomsten 3 verschillende scenario’s in aankoopmoment
Bron: JLL
Echter er zit nog wel een gevoeligheid zit in de vijfde knop. Zonder de pensioenfondsvrijstelling zakt het rendement in 2030 terug naar ongeveer het niveau van 2026. Die ene maatregel weegt zwaarder dan de overdrachtsbelastingverlaging en de objectsubsidie samen. En dat is net de maatregel die nu nog niet vaststaat.
Wat JLL hiervan vindt
Voor beleggers is het uitblijven van grote wijzigingen goed nieuws. Na drie jaar van opeenvolgende ingrepen is voorspelbaarheid zelf een vorm van verbetering, en dat is precies wat DNB en menig vastgoedadviseur het kabinet aanraadt: beleid dat niet steeds verandert. Het Prinsjesdagpakket levert die voorspelbaarheid deels. Het verandert de rekensom echter nauwelijks, en die rekensom was de reden dat beleggers zich terugtrokken.
Er is een stap gezet naar het faciliteren van de aanbodkant. Drie dingen zijn daarbij het vermelden waard.
- De overdrachtsbelasting daalt voor het tweede jaar op rij, na de stap van 10,4 naar 8 procent in 2026, straks naar 7 procent in januari. Twee verlagingen achter elkaar vormen een richting, en dat is voor een langetermijnbelegger meer waard dan de tariefdaling zelf.
- Met de objectsubsidie geeft het kabinet voor het eerst een bijdrage aan commerciële verhuurders voor woningen die niet rond te rekenen zijn. Tot nu toe was zulke steun voorbehouden aan corporaties. IVBN noemt dat positief, omdat het kabinet daarmee erkent dat marktpartijen onder vergelijkbare voorwaarden als corporaties moeten kunnen investeren in middenhuur.
- De WOZ-prijsopslag is precies het instrument dat DNB in juli aanbeval. De toezichthouder stelde dat een zwaardere weging van de woningwaarde binnen de huurprijsregulering belemmeringen voor investeringen kan verminderen. Het kabinet voert dat nu in.
Daarmee zijn we er niet. Op drie punten schiet het pakket tekort volgens JLL:
- Timing. De objectsubsidie begint in 2029. SEO becijfert dat zonder ingrijpen circa 30 procent van het bestaande middensegment binnen tien jaar verdwijnt. Tot 2029 verandert er voor de bestaande voorraad niets, terwijl juist daar de uitstroom plaatsvindt.
- De keuze van het instrument. Een subsidie van €10.000 per woning is, afgezet tegen de verkoopwaarde van een middenhuurwoning, enkele procenten. Ze werkt eenmalig, ze komt uit de rijksbegroting en ze kan bij een volgend kabinet weer worden ingetrokken. Een structurele verruiming binnen het WWS-puntenstelsel zou de schatkist echter niks kosten en werkt door in elke exploitatie en elke waardering. Daar staat tegenover dat die verruiming de rekening bij de huurder legt in plaats van bij de belastingbetaler, precies het bezwaar waarmee gemeenten, Woonbond en Aedes zich tegen de WOZ-opslag keerden. De relatieve woonquote ten opzichte van inkomens laat verder zien dat hier ruimte voor is.
- De fiscaliteit, en dat is het zwaarste punt. Het besluit over box 3 schuift door naar de Voorjaarsnota van 2027. De vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen is aangekondigd en niet uitgewerkt. Onze doorrekening laat zien dat juist die vrijstelling zwaarder weegt dan de overdrachtsbelastingverlaging en de objectsubsidie samen. Voor een belegger die tien jaar of langer vooruitkijkt, is een onbekend belastingregime een groter probleem dan een te laag tarief.
Wat is er dan verder nog nodig volgens JLL?
Drie punten aan het adres van beleidsmakers, en twee aan dat van beleggers zelf.
1. Maak de aangekondigde maatregelen concreet. Van de objectsubsidie is nog niet bekend welke woningen in aanmerking komen, wie de aanvraag doet en vanaf welk moment. Van de vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen bestaat alleen een aankondiging. Een belegger die vandaag een project doorrekent, kan met geen van beide rekenen. Bij een investeringsbeslissing wegen ze daarom nul.
2. Kies een fiscaal regime en houd het vast. Het besluit over box 3 schuift door naar de Voorjaarsnota van 2027. Die onzekerheid is voor beleggers een groter probleem dan de hoogte van de heffing zelf. Wie weet welk tarief hij betaalt, verwerkt dat in zijn bieding. Wie niet weet onder welk stelsel hij over vijf jaar valt, doet geen bieding. Een ongunstige maar vastgestelde uitkomst is voor de markt bruikbaarder dan een gunstige maar onzekere.
3. Beperk de eisen die gemeenten boven op het landelijke beleid stellen. Sommige gemeenten verlangen een groter aandeel sociale en betaalbare woningen dan het Rijk voorschrijft. Omdat de duurdere woningen in een project, de beperkte inkomsten van sociale woningen moeten compenseren, komt de businesscase daarmee onder druk. DNB adviseert minder van deze aanvullende eisen en meer standaardisering, zodat ontwikkelaars niet per gemeente opnieuw hoeven te onderhandelen over programma en voorwaarden. Daarvoor is geen nieuwe wetgeving nodig.
Bestaande betaalbare huurwoningen niet uitponden, maar renoveren naar vrije sector
1. En voor beleggers zelf ligt er een route die weinig aandacht krijgt. Het schrappen van de minpunten voor ontbrekende buitenruimte levert verouderde woningen extra WWS-punten op. Daarmee mag een hogere huur worden gevraagd, en kan een woning boven de middenhuurgrens uitkomen. Herpositionering van verouderde voorraad naar de vrije sector wordt zo een alternatief voor uitponden. Voor de beschikbaarheid in de huurmarkt is dat gunstiger, omdat de woning verhuurd blijft. Het voorkomt ook dat complexen per woning worden verkocht, waardoor het eigendom versnippert en beheer en onderhoud op termijn moeilijker worden en complexe VVE constructies ontstaan.
2. Weeg de rol van Nederlands pensioenkapitaal opnieuw. In de jaren zestig tot tachtig investeerden pensioenfondsen massaal in Nederlandse huurwoningen, omdat de woningnood daartoe dwong. Sindsdien is hun vermogen over de wereld gespreid, wat vanuit risicospreiding logisch is. Tegelijk zijn het de deelnemers van diezelfde fondsen, leraren, zorgmedewerkers en agenten, die nu tussen wal en schip vallen: te veel inkomen voor sociale huur, te weinig voor een hypotheek in de stad. De vraag of Nederlands woningvastgoed een groter deel van die portefeuilles verdient, ligt bij de fondsen zelf.
Slot
Wat rest is een markt die op twee snelheden beweegt. De huurvoorraad groeit door nieuwbouw van corporaties en institutionele beleggers. Die woningen worden toegewezen op inschrijfduur en/of inkomensgrens. Dat de huurvoorraad groeit is positief. Tegelijk krimpt juist het segment waar woningzoekers direct en flexibel terecht kunnen: de vrije sector.
Mensen ervaren aan den lijve dat bepaalde schakels in hun wooncarrière beperkt beschikbaar zijn. Elke hapering blokkeert de volgende schakel, waardoor de hele keten vastloopt. Studenten blijven na het afstuderen thuis wonen. Ouderen blijven in een gezinswoning zitten omdat er geen passend alternatief vrijkomt.
Elk segment in de wooncarrière is nodig om mensen in verschillende levensfases op te vangen. Huidig beleid concentreert zich op het sociale en middenhuur segment, als gevolg daarvan verdient de vrije sector nu meer aandacht. Hier kunnen mensen zonder wachttijd of inkomenstoets terecht: startende professionals, gescheiden partners, werknemers die verhuizen, mensen tussen huur en koop. Dit flexibele segment beslaat nu slechts 8 procent van de voorraad en krimpt verder.
De vrije sector schakel herstelt zich niet vanzelf. De vraag is er, de totale huurvoorraad groeit, en juist het segment dat de doorstroming mogelijk maakt loopt terug. Of dat keert, hangt af van de vraag of er kapitaal is om die woningen te bouwen en aan te houden.
Voor beleggers zijn de komende maanden vooral een kwestie van monitoren. Vier momenten zijn bepalend:
- het advies van de Raad van State over de WWS-maatregelen,
- de internetconsultatie over de nieuwbouwopslag en de studentencontracten,
- de uitwerking van de voorwaarden van de objectsubsidie,
- het box 3-besluit in de Voorjaarsnota van 2027.
Tot die tijd geldt dat een acquisitie die alleen rondkomt onder het huidige fiscale regime, kwetsbaar is. Het regime kan binnen de houdperiode wijzigen. Reken daarom met een bandbreedte en toets of de businesscase ook standhoudt als de vrijstelling er niet komt of als box 3 ongunstig uitpakt. Het pakket van Prinsjesdag verandert de rekensom voor een concreet project maar beperkt. Het besluit dat volgend voorjaar valt, doet dat mogelijk wel.