Waarom stemmen in de gemeente?
Gemeenteraadsverkiezingen voelen voor veel mensen als ‘lokaal’. Toch worden in de komende raadsperiode juist besluiten genomen die direct bepalen of Nederland kan bouwen, of bedrijven kunnen groeien en of onze steden leefbaar en bereikbaar blijven.
Het nieuwe coalitieakkoord zet de landelijke koers: woningbouw versnellen, procedures vereenvoudigen, investeringen in infrastructuur en bereikbaarheid koppelen aan woningbouw en economische ontwikkeling, en de aanpak van netcongestie prioriteren. Maar die richting wordt pas werkelijkheid als gemeenten het vertalen naar keuzes in de ruimte – en vooral naar uitvoering.
Daarom is dit interview het startschot van een korte JLL Research-reeks richting woensdag 18 maart 2026. We geven geen stemadvies. We bieden wél een praktische bril om verkiezingsprogramma’s te lezen: wat is de ambitie, wat is de keuze erachter, en wat is realistisch binnen ruimte, randvoorwaarden en uitvoeringskracht?
Wat ligt er nationaal al op tafel?
- Woningbouw: inzetten op grootschalige nieuwbouwlocaties en een gebiedsgerichte aanpak waarin wonen, werken, bereikbaarheid, groen en voorzieningen samen worden ontwikkeld.
- Versnellen en vereenvoudigen: normen en procedures meer standaardiseren en lokale bovenwettelijke eisen beperken, zodat projecten sneller van plan naar uitvoering kunnen.
- Infrastructuur en bereikbaarheid: middelen en prioritering voor projecten die woningbouw en economische ontwikkeling mogelijk maken.
- Netcongestie: versnellen van oplossingen en aansluitingstrajecten, zodat plannen niet stranden op energiecapaciteit.
- Investeringsklimaat: maatregelen die de investeerbaarheid moeten verbeteren en aanbod moeten vergroten; inclusief fiscale prikkels zoals een lagere overdrachtsbelasting voor niet-zelfbewoning vanaf 2027.
De centrale vraag is dus niet alleen wat er in Den Haag wordt afgesproken, maar wat gemeenten (en hun raden) lokaal besluiten om het waar te maken. In de praktijk komen die keuzes samen in vier thema’s die voor bewoners, bedrijven, vastgoedprofessionals en eindbeleggers onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn:
- Arbeidsmarkt: kunnen werknemers in de regio een passende woning vinden en is de stad goed bereikbaar voor woon-werk?
- Economie: is er ruimte en kwaliteit voor bedrijven om te vestigen, te groeien en te verduurzamen (kantoor, campus, maak, logistiek, zorg/onderwijs)?
- Vestigingsklimaat: blijft de stad aantrekkelijk door voorzieningen, een vitale binnenstad, leefkwaliteit en veiligheid?
- Investeringsklimaat: is het beleid voorspelbaar en uitvoerbaar, met heldere spelregels en realistische doorlooptijden, zodat projecten ook echt landen?
Om die vertaalslag concreet te maken, geven Pieter Hendrikse (CEO) en Sven Bertens (Head of Research & Strategy) van JLL Nederland hun visie op de komende gemeenteraadsverkiezingen. Hendrikse kijkt naar wat bedrijven, beleggers en ontwikkelaars in de praktijk nodig hebben: tempo, duidelijkheid en consistent beleid. Bertens brengt data en nuance: wat is uitvoerbaar, waar zitten de echte trade-offs en welke randvoorwaarden (energie, bereikbaarheid en capaciteit) worden vaak onderschat?
Bekijk de video voor een samenvatting van het gesprek, of lees het volledige artikel hieronder op de pagina.
In gesprek: “Gemeentepolitiek bepaalt of nationale plannen landen”
Het coalitieakkoord zet stevig in op versnelling van woningbouw, het terugdringen van bezwaarprocedures, regionale afstemming en het verbeteren van het investeringsklimaat. Maar één ding is duidelijk: al deze ambities komen pas tot leven als gemeenten meewerken. Gemeenten sturen op bouwprogrammering, doorlooptijd, grondbeleid, energie-inpassing en gebiedsontwikkeling. Of projecten haalbaar worden, of kapitaal durft te landen en of er echt gebouwd kan worden – dat wordt in hoge mate lokaal bepaald.
Waarom leggen jullie de link tussen het coalitieakkoord en de gemeenteraadsverkiezingen?
Hendrikse: De Rijksoverheid kan ambities neerleggen, maar gemeenten bepalen uiteindelijk waar er wordt gebouwd, hoe snel, onder welke voorwaarden en met welke prioriteiten. Dat maakt lokale politiek beslissend voor doorlooptijden, voorspelbaarheid en uiteindelijk investeerbaarheid. En het bepaalt hoe aantrekkelijk lokale coalities het voor marktpartijen maken om te investeren – om wonen, werken, winkelen en recreëren mogelijk te maken voor hun inwoners.
Welke landelijke lijnen uit het coalitieakkoord zijn lokaal het meest relevant?
Bertens: Zonder te uitvoerig te worden zie ik drie kernpunten. Eén: de aanwijzing van grootschalige nieuwbouwlocaties. Twee: het versnellen en vereenvoudigen van procedures, inclusief het beperken van bezwaar en bovenwettelijke eisen. Drie: de norm dat twee derde van nieuwbouw betaalbaar moet zijn. Dat moet allemaal lokaal worden geconcretiseerd; anders blijft het bij papieren ambities. Belangrijk is ook dat het kabinet erkent dat het de nieuw te vormen colleges van burgemeester en wethouders nodig heeft om dit te realiseren.
Waar gaan ambities in de praktijk het vaakst mis?
Bertens: Bij procedures, capaciteit en randvoorwaarden. Veel projecten verliezen jaren door bezwaar en beroep, door gebrek aan ambtelijke capaciteit of door ontbrekende energie- en netaansluitingen. Dat is vaak het verschil tussen mogelijk en onhaalbaar.
Wat werkt wél om tempo te maken?
Bertens: Gemeenten moeten veel meer inzetten op uitvoeringskracht: durf capaciteit op te schalen, haal tijdelijk externen binnen en werk structureel aan het wegwerken van achterstanden. Daarnaast helpt het enorm om procedures parallel te laten lopen, bovenwettelijke eisen te schrappen en ontwikkelaars vroeg duidelijkheid te geven.
Hendrikse: Minstens zo belangrijk: leg randvoorwaarden veel eerder vast. Zonder stroom, mobiliteitsoplossingen of duidelijkheid over water en bodem krijg je geen project van de grond. Dat vraagt om vroegtijdige afstemming met netbeheerders, faseringsafspraken en regionale samenwerking. En soms helpt actief grondbeleid om tempo te maken: gemeenten die strategische locaties zelf verwerven, krijgen meer grip op gebiedsontwikkeling en kunnen versnellen waar de markt anders vastloopt.
Waarom zijn dit óók arbeidsmarktverkiezingen?
Hendrikse: Wonen en werken zijn geen gescheiden domeinen. Iedere woning creëert vraag naar werkplekken en voorzieningen. Elk bedrijf heeft passende huisvesting voor medewerkers nodig. En iedereen die woont, heeft voorzieningen nodig. Gemeenten die dat geheel in samenhang zien, hebben een streep voor.
Hoe groot is de impact van netcongestie?
Bertens: Groot. Je kunt een wijk plannen, financieren en vergund krijgen, maar zonder stroom kun je niet opleveren. De Rijksoverheid en netbeheerders werken aan versnelling van het net, maar gemeenten moeten vroegtijdig schakelen met netbeheerders om capaciteit te reserveren en fasering af te stemmen.
Welke rol heeft de gemeente in het verbeteren van het vestigings- en investeringsklimaat van een stad?
Hendrikse: Je stad moet bereikbaar zijn, er moet voldoende talent kunnen worden aangetrokken en er moet energiezekerheid zijn. Maar minstens zo belangrijk zijn voorspelbare regels. Bedrijven en investeerders willen weten waar ze aan toe zijn. Gemeenten hebben directe invloed via bouwprogrammering, keuzes in bereikbaarheid en mobiliteit, grondbeleid, vergunningverlening en het wegnemen van lokale belemmeringen. Kapitaal volgt zekerheid – niemand wil verrast worden door steeds nieuwe spelregels of stapelende eisen.
Welke trade-offs moeten gemeenten expliciet durven maken?
Bertens: Gemeenten moeten bewust kiezen, passend bij hun profiel, want ‘we doen alles’ werkt niet. Amsterdam zet sterk in op wonen en kiest relatief minder voor stedelijke bedrijventerreinen; functies schuiven dan deels naar omliggende gemeenten. Rotterdam stelt juist dat er geen hectare bedrijventerrein mag verdwijnen: als ergens ruimte plaatsmaakt voor woningbouw, moet er elders compensatie komen. Het punt is niet dat één aanpak ‘goed’ is, maar dat keuzes expliciet worden gemaakt – mét consequenties voor economie, arbeidsmarkt en investeerbaarheid.
Wat is één aspect dat een kiezer met affiniteit met vastgoed sowieso moet checken in een lokaal verkiezingsprogramma?
Hendrikse: Of er écht commitment is op meer woningen – en of er een plan is om tempo te maken met een realistische programmering. Dat raakt iedereen: starters, gezinnen, eenpersoonshuishoudens en ouderen.
Bertens: En of partijen duidelijke prioriteiten durven formuleren in plaats van alles te beloven. Juist daar zie je of er een realistisch profiel achter de ambities zit.
Hebben jullie een stemadvies?
Hendrikse: Geen stemadvies. Wel één oproep: ga stemmen. Stemmen is een democratisch recht dat je in veel landen niet hebt. Laat je stem dus horen.
Hoe kunnen markt en overheid elkaar de komende raadsperiode het beste vinden?
Bertens: Door capaciteit en regie te organiseren. Iedere gemeente zou een stevige portefeuille ‘wonen en bouwen’ moeten hebben, met voldoende ambtelijke slagkracht. En door vroeg en open met marktpartijen te schakelen: parallelle trajecten voor bouwen, energie, mobiliteit, water en bodem – zodat plannen niet pas in de uitvoering vastlopen.
Tot slot: wat geven jullie lokale politici mee?
Hendrikse: Durf te kiezen, durf uit te voeren en durf over gemeentegrenzen heen te denken. Woningnood, arbeidsmarkt en economie stoppen niet bij een plaatsnaambord. Dat vraagt samenwerking – met Rijksoverheid, marktpartijen, andere gemeenten en netbeheerders.